| |||||||||
|
|
Normen voor veldsterkten
De westelijke mens moet zich realiseren dat hij permanent onder invloed staat van apparatuur en installaties die EM- en E-velden produceren en van zenders die radiogolven uitzenden. Voor het dagelijkse leven van EO-gevoeligen is het van belang de schadelijkste apparaten te leren kennen en hun velden te meten. Anderzijds is van belang het totaal der velden in elke verblijfsruimte, vooral de slaapkamer en plekken waar veel tijd wordt doorgebracht. Dit alles met het doel zo’n schoon mogelijke omgeving voor zichzelf in te richten. Daarnaast is het belangrijk de electrische oplading van het eigen lichaam te kennen en te reduceren. Want "Meten is weten". Alle electrische apparaten en installaties produceren electrische en electromagnetische velden. Zoals al eerder gezegd zijn de electrische velden goed af te schermen maar de electromagnetische zeer moeilijk. Een zekere emissie is daarom onontkoombaar. Dat is meestal ook niet erg omdat we toch in ruimten zitten waar het vergeven is van de velden, al is het maar door het 50 Hz net en door mobiele telefoonzenders. Nu zijn de meeste mensen gelukkig niet gevoelig voor het merendeel der velden. Men denkt zich beschermd te weten tegen overlast omdat alle in de handel zijnde apparaten, instrumenten en installaties moeten voldoen aan zekere normen voor veiligheid en betrouwbaarheid. Die normen verschillen van apparaat tot apparaat en van land tot land en zolang we geen problemen hebben is dat prima. Wanneer echter de electrogevoelige personen onder ons klagen over ongezonde effecten van sommige systemen wordt door technici en ARBOdiensten gewezen op het feit dat alle apparaten voldoen aan de normen en dat je daarom niet moet zeuren. De valkuil waar we collectief in dreigen te lopen is dat we menen dat normen worden opgesteld om ons mensen te beschermen tegen mogelijk kwaad. Dit nu is niet altijd het geval. De ontwerpers stellen normen op om een goede werking van hun apparaat te midden van andere apparaten te garanderen; soms kunnen ze elkaar helaas beïnvloeden. Vooral producenten van electronische apparatuur zijn gebaat bij een goede onderlinge afstemming van hun producten en dan vooral om te voorkomen dat een apparaat geen storing veroorzaakt bij een naburig apparaat, zoals gevoelige hartbewakingsapparatuur etc. De gevoeligheid van de mens is daarbij doorgaans niet het uitgangspunt. In Nederland beschikken we over het Nederlands normalisatie-instituut (NEN) waar de diverse normen worden gemaakt, uitgegeven en verkocht ( http://normalisatie.pagina.nl) . Belanghebbenden kunnen die normen gratis inzien om daar hun voordeel mee te doen. Wij particulieren hebben daar niet zo veel te zoeken.MPR en TCO normen voor beeldschermen Veel beter is het gesteld met normen voor beeldschermen. Zoals eerder is uitgelegd ontstaan veel problemen met elektrische overgevoeligheid in feite met het (langdurig) werken aan beeldschermen. Terwijl overal tot dusverre werd uitgegaan van het standpunt dat apparatuur onschadelijk is tot dat het tegendeel is bewezen, was men in Zweden meer milieubewust en mens-vriendelijk. Een groep technici ging uit van het standpunt dat men problemen met beeldschermen juist diende te voorkomen door de stralingen zo laag te maken als technisch op dat moment mogelijk was. Men ontwikkelde normen waar anderen zich op vrijwillige basis aan mochten conformeren, de MPR normen, later verfijnd als MPR II. Vrijwel alle producenten hielden met deze normen rekening zodat het de laatste jaren eigenlijk niet meer voorkwam dat men slechte schermen kon kopen. Andere zweden ging dat niet ver genoeg en de ‘Swedish confederation of professional employees’ stelde de TCO normen op die nog scherper geformuleerd werden en trouwens ook andere zaken betreffende milieuvriendelijkheid van beeldschermen etc. regelde. Computer uitrustingen worden door ‘TCO Development’ beoordeeld op energieconsumptie, gehalte aan schadelijke stoffen als chloor, broom als brandvertragers en kwik en cadmium als zware metalen, geschiktheid voor recycling en het voldoen aan milieustandaarden zoals ISO 14001 of EMAS en op uitgestraalde velden. Tests op emissie van EM- en E-velden zijn ontworpen om de volgende redenen: ‘Some VDU users (noot: afkorting voor video display unit, de formele benaming voor beeldschermen (H.S.)) are concerned about the possible danger for health from magnetic and electric fields in the vicinity of VDUs. The mandatory requirement is based on the ambition of reducing magnetic and electric fields to as low a level as is technically possible to achieve, so as not to burden the working environment with unnecessary factors. The mandatory requirement shall however not be taken as representing hygienic limit values’.De meting van EM- en E-velden moet geschieden met nauwkeurig omschreven apparatuur en methoden en op gestandaardiseerde wijze. Hieronder geven we de uitgangspunten van MPR en TCO normen. TCO99 normen gelden voor metingen op 30 cm recht voor de monitor of op een afstand van 50 cm daar om heen. Het scherm toont een beeldvullende hoofdteller H in zwart/wit. Twee frequentiegebieden worden door filters apart bepaald, met 2kHz als kantelfrequentie.
Let op: Door TCO Development wordt merkwaardigerwijs geen onderscheid gemaakt voor de klassieke fluorescentie- en de moderne TFT-monitors(!). De laatste zouden eigenlijk een eigen categorie moeten hebben omdat de emissiewaarden veel lager liggen dan die van het oudere type. Ter vergelijking: De door ons zelf bepaalde emissiewaarden aan een aantal monitoren (zie ‘Meting van velden’) liggen deels boven die normen, deels er onder. Let wel, die metingen zijn uitgevoerd met een eenvoudige meter (de Aaronia Multidetektor II Profi) en op afstanden van tot de monitor van 50 of 100 cm. De filterfrequentie voor lagere en hogere frequentiegebieden ligt hier bij 500 Hz.
Vergelijking met de normen:
Conclusie: Het TFT scherm is veruit het beste, de HP monitor is OK, de andere zijn wisselend. Advies: schaf een TFT monitor aan en blijf niet met een gedateerd scherm doormodderen als je EO gevoelige bent. Normen voor veldsterkten binnenshuis (integrale metingen) De vaststelling van veldsterkte-normen binnenshuis zal moeten afhangen van de doelgroep: zij die daar moeten werken. Wie nergens last van heeft zal aan welke norm dan ook geen boodschap hebben. Voor EO-gevoeligen zal de norm zo laag moeten zijn dat die technisch wellicht niet realiseerbaar zijn. Om die redenen lopen de maximale normwaarden zoals gehanteerd door verschillende instituten en instellingen sterk uiteen. Er bestaat geen algemeen aanvaard criterium waaraan veldsterkten in ruimten moeten voldoen. Voor de diverse instanties en schrijvers is het uitgangspunt de veldsterkte waarbij naar verwachting geen EO problemen optreden. Geleidelijk aan echter worden de maximaal toegestane veldsterkten naar beneden bijgesteld omdat de problemen blijken aan te houden. Hieronder een bloemlezing van de diverse preferenties –lees: maximale veldsterkte- opgegeven voor 50-60 Hz wisselvelden:
Conclusies:
Electrische wisselvelden krijgen pas betekenis als ze door een persoon worden opgevangen en ‘omgezet’ in een onprettige lichamelijke sensatie. Daarom is er misschien een betere maat om velden te kwantificeren: door de ‘capacitieve oplading’ van de huid te meten. Ieder persoon zal door ‘instraling’ van het lichtnet worden opgeladen; de spanning kan worden gemeten door de huid in contact te brengen met een hoogohmige voltmeter die aan de andere kant aan aarde ligt. De spanning kan gemakkelijk tot tientallen volts oplopen indien met in de buurt zit van electrische leidingen in een vochtige muur, nabij een metalen schemerlamp, aan een metalen bureau of op een metalen stoel. Het is zo dat alle geleidende voorwerpen in een kamer ook worden opgeladen wanneer ze althans niet zijn geaard. De voorwerpen kunnen vervolgens zelf ook weer als electrische zender gaan fungeren. De huidoplading vindt plaats in elke ruimte waar elektriciteit is aangebracht maar niet ieder heeft daar last van. Door onbegrepen persoonlijke variatie worden de 50 Hz spanningen bij de één wel, bij de ander niet ‘vertaald’ in onprettige lichamelijke reacties. Daar is best wat aan te doen. Aan de ene kant wordt de persoonlijke oplading bevorderd door de voltages en oppervlakten van stroomvoerende objecten in die ruimte; aan de andere kant zal er geen oplading plaatsvinden indien de persoon op vochtige blote voeten loopt of schoenen en kleren draagt die de spanning afvoeren naar de grond of afgeven aan de lucht. Door opzettelijke aarding van bijv. de pols via een metalen horlogebandje kan lading efficiënt worden afgevoerd. Bij sommigen zullen wellicht de EO klachten duidelijk verbeteren door en dergelijke maatregel. Het is vooral van belang om eliminatie van de velden na te streven of de aarding te verbeteren op plaatsen waar men veel tijd doorbrengt: in bed, aan het bureau, in de favoriete leesfauteuil etc. Lijfelijke aarding kan ook een efficiënte bescherming geven. Biologische normering: persoonlijke oplading Mogelijk kan er een verband worden aangetoond tussen deze capacitieve oplading en gewoonten van EO-gevoeligen en hun ziekten. Daarvoor is het nodig iemands electrische omgeving letterlijk in kaart te brengen en maatregelen voor te stellen om diens omgeving te ‘saneren’. De persoonlijke oplading kan dan als norm worden genomen; de waarde zal zo dicht mogelijk bij nul uit moeten komen. Persoonsgerichte normen: toekomstmuziek? Normgevende organisaties zullen zich over het algemeen richten op het grotere publiek. Voor EO-gevoeligen is dat niet goed genoeg. Enerzijds zijn deze personen enige orden van grootte gevoeliger voor zekere velden dan anderen. Anderzijds bestaan er waarschijnlijk ook grote individuele verschillen t.a.v. de precieze frequenties die hen storen. Daar ligt een probleem. Kwantitatieve normen hebben steeds integrale metingen als uitgangspunt, hoogstens verdeelt men de velden in hoog- en laagfrequente gebieden. EO-gevoeligen hebben een gevoeligheid opgebouwd t.a.v. enkele of meerdere frequenties in meer of minder nauwe frequentie-‘vensters’, maar niet tegen alle frequenties. De vraag is of men tegen willekeurig welke frequenties allergisch kan worden of dat het verschijnsel beperkt is tot enkele ‘gids’-frequenties, waarbij het immuunsysteem een ‘keuze’ maakt uit een vaststaand ‘menu van bruikbare frequenties’. Dat laatste lijkt het waarschijnlijkst omdat het lichaam nu eenmaal op een beperkt aantal signalen kan reageren, afhankelijk van een aantal randvoorwaarden. Zo zijn slechts weinigen gevoelig voor het 50 Hz lichtnet. Ter vergelijking: een radio kan op oneindig veel frequenties afgesteld worden maar slechts de frequenties van werkende zenders leveren muziek op. Hoe de menselijke ‘ontvanger’ er eigenlijk uitziet is nog onbekend. Op enig moment zullen we leren welke frequenties het precies zijn die een storend effect hebben. Grootschalig onderzoek aan vele EO-gevoeligen zal nodig zijn om de gevoeligheden onder één gemeenschappelijke noemer te brengen. Om deze redenen zijn bovenvermelde normen nauwelijks relevant:
Daarom, De normen zullen in de toekomst verder verfijnd moeten worden en toegesneden op de behoeften van de EO_gevoelige. Wellicht worden er persoonsgerichte normen opgesteld, ongeveer zoals dat nu al het geval is voor voedselallergieën. Ter vergelijking: de verpakkingen van levensmiddelen vermelden de ingrediënten die van belang zijn voor hen die aan voedselallergie lijden. Zo zullen electronische apparaten later misschien verpakkingen hebben waarop vermeld staat in welke frequenties EM- en E-velden worden uitgezonden, en hoe sterk. Dit om EO-gevoeligen een weloverwogen keus te laten maken uit stralingsarme apparaten.
Laatste update: 12-05-06
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||